E-Collar Hoofdstukken


DEEL IV: Hoe leert een hond?


Als je het over opvoeden, afleren, aanleren en trainen wilt hebben is het essentieel eerst te verduidelijken hoe honden denken en wat hen motiveert.

Een hond is een intelligent wezen dat leert middels het leggen van verbanden. Met andere woorden hij associeert -evenwel enkel op zeer korte termijn- gevolgen: “als ik dit… dan dat.” Dat gevolg kan een negatief of een positief gevolg zijn. Met dien verstande dat positieve gevolgen een bepaald gedrag bevorderen en dat negatieve gevolgen een bepaald gedrag ontmoedigen. Deze aanmoedigingen en ontmoedigingen noemt men “bekrachtigers”. De associatieheuristiek bij de hond voor het aanleren is bijzonder kort. Hij legt zijn verbanden indien het gevolg zich binnen, maximaal, 2 seconden voordoet. Anders gesteld: indien er zich meer dan 2 seconden voordoen tussen een handeling en het gevolg daarvan, zal de hond het aanzienlijk moeilijker hebben om het verband tussen handeling en gevolg te leggen. Deze termijn geldt tijdens het aanleren. Eens de kennis verworven is blijft ze natuurlijk wel hangen in zijn geheugen. De stelling dat een hond “geen geheugen heeft” is dus fout, hij heeft wel degelijk een geheugen, anders zou hij zich elke dag opnieuw niet meer herinneren waar zijn eetpot staat en wie zijn baas is. Een hond kan dus prima dingen lange tijd onthouden maar zijn logisch denkvermogen is echter een korte termijn gegeven. En net dat logisch denkvermogen is essentieel in de aanleerfase omdat hij het nodig heeft om de les te begrijpen. Samengevat kan gesteld worden dat een snelle timing bij het aanduiden van wat wel en niet gewenst gedrag is, daarom zeer belangrijk is.

Omdat verbanden leggen al een intellectuele uitdaging is bij het aanleren van nieuwe zaken is het aangewezen de concentratie van de hond optimaal te houden. Dit kan enkel indien men de drift van de hond laag houdt. Een hond in hoge drift kan zich totaal niet meer focussen op de les. Bijgevolg begint men steeds in een omgeving waar de aandacht van de hond niet van de les kan afgeleid worden. Dit is dus een rustige afgesloten plek waar men ongestoord met de hond kan oefenen, zonder dat die ertoe verleid te worden in de fout te gaan.

Een derde beginsel is de herhaling van de gewenste handeling. Een student zal na een eenmalige lezing van een cursus van gemiddeld 900 bladzijden, liever nog geen examen afleggen. De cursus wordt een keer of drie, vier gelezen eer de inhoud ervan zich stevig in het geheugen verankerd heeft. Bij honden dient het aangeleerde tussen de 3.000 à 5.000 keer herhaald te worden eer hij weet wat met een gegeven commando bedoeld wordt. Dit, ongeacht de omgeving of omstandigheid waarin het van hem gevraagd wordt. Elk gegeven commando dat niet wordt opgevolgd zal een aanzienlijke stap terug zijn in de training. Wie bevelen aan zijn hond geeft, terwijl die de mogelijkheid heeft er vierkant z’n voeten aan te vegen, of erger nog, beloond wordt voor het ongehoorzaam zijn, verliest onherroepelijk zijn gezag over de hond. Men heeft dan eigenlijk de hond geleerd dat hij gewoon kan doet wat hij wil en dat het gevolg daarvan positief is. Dit is wat men ongewenst zelfbelonend gedrag noemt. Wanneer men de hond vraagt te komen, terwijl die doodleuk de achtervolging van een konijn verder zet, en er bovendien nog in slaagt dat konijn te vangen ook, gaat de baas af als een gieter in de ogen van zijn hond. Als je dus op voorhand al weet dat je hond niet gaat doen wat je hem vraagt, vraag het dan ofwel gewoon niet, of zorg dat je de mogelijkheid hebt hem te dwingen het gevraagde te doen. De lezer die regelmatig naar documentaires over wolven kijkt, weet perfect welke oplossing een Alpha-wolf kiest tussen de twee voormelde opties.

Naast timing, concentratie en herhaling is ook generalisering essentieel om de hond te laten begrijpen dat een commando altijd en overal moet opgevolgd worden, ongeacht z’n humeur en eender wat de omstandigheden zijn. Hij moet hetgeen werd aangeleerd in zijn toepassing ervan leren veralgemenen. “Kom hier” betekent dat hij niet enkel in zijn eigen tuin moet luisteren, maar ook tijdens de wandeling in het bos en zelfs als er op dat moment net een mountainbiker uitdagend langs z’n neus vliegt. “Foei” betekent dat hij in de polder van boer Jan onmiddellijk moet stoppen met het smakelijk verorberen van een koeienflap, maar het betekent ook dat hij in het Mastbos moet ophouden met het opeten van paardendrollen. Honden hebben het, in tegenstelling tot mensen, moeilijk met veralgemeningen. Vandaar dat je tot de vaststelling zal komen dat bij het vragen van de uitvoering van een bevel in een omgeving waar hij nog nooit eerder geweest is, en kort nadat dit bevel voor de eerste keer werd aangeleerd, je hond je stomverbaasd zal bekijken met een uitdrukking die aangeeft dat hij totaal niet weet wat je bedoeld. In het begin zal men dan ook bij elke nieuwe omgeving terug het aanleren van de oefening van bij het begin moeten hernemen. Het is juist in deze context dat de vele herhalingen belangrijk zijn, omdat men de oefeningen moet repeteren op een diversiteit van plaatsen en in verschillende omstandigheden met een opbouw van steeds meer uitdagingen.

Bij training bestaat er ook een zekere speelruimte in wat nu een positief gevolg en wat een negatief gevolg is van een bepaalde handeling.
• Positief: +
Wat de hond aanziet als positief en dus een belonende aanmoediging om een handeling te herhalen is het verbeteren van zijn positie. Dat gebeurt wanneer hij iets aangenaam verkrijgt of indien iets onaangenaam verdwijnt.
Dat het verdwijnen van iets onaangenaam een aanmoediging kan zijn om een bepaalde handeling te stellen wordt wel duidelijk als je denkt aan een hond die per ongeluk bovenop een mierennest is gaan zitten. Lang zal hij daar niet blijven luieren. Ook de hond die heerlijk ligt te zonnen zal, als hij het uiteindelijk te warm begint te vinden terug in de schaduw gaan liggen. Het volstaat dus zelfs voor de hond om bij het ervaren van een zeer licht onaangename impuls zijn gedrag daaraan aan te passen.
Bij de keuze tussen verschillende beloningen zal de hond altijd deze kiezen die hij het belangrijkste vindt voor de verbetering van zijn positie. Bij de keuze tussen een koek of een wegrennend konijn, zal hij meestal voor het konijn gaan aangezien zijn jachtdrift sterker op hem inwerkt dan zijn eetdrift. De hond zal evenwel iets dat essentieel is altijd aanzien als het belangrijkste. Daarom zal hij bij de keuze tussen gaan liggen in het natte gras of lekker in het droge zand, maar dan wel bovenop een mierennest, uiteindelijk toch maar kiezen voor het natte gras. Dit verklaart ook waarom veel trainers een hond die het konijn belangrijker vindt dan de koek een paar dagen geen eten meer zullen geven. Door de nijpende honger is de kans groter dat de hond besluit dat de koek, die uiteindelijk binnen pootbereik is, essentiëler tegemoet komt aan zijn dringende behoeftes dan het konijn waarvan de vangst geen zekerheid is.
Dus eigenlijk is het geven van kleine voedselbeloningen aan een hongerige hond het wegnemen van iets licht onaangenaam, namelijk de honger, eerder dan het toevoegen van iets aangenaam. Omdat de honger zo nijpend is wordt de koek een belangrijkere, meer essentiële beloning en overtreft ze mogelijks het konijn. Zoals eerder gezegd: een emmer water heeft een gans andere betekenis naargelang men zich in een zwembad of in de woestijn bevindt. Men noemt dit existentieel trainen.
Samengevat: als de hond kan kiezen tussen 2 beloningen kiest hij altijd diegene die hij het meest belangrijke vindt en dat zal altijd hetgeen zijn dat voor hem existentieel essentieel is. Deze die wezenlijk, noodzakelijk en onontbeerlijk is. De existentieel verschuivende waarde van een beloning wordt verduidelijkt door de behoeftepyramide van Maslow, die aantoont dat primaire behoeftes na hun bevrediging plaatsmaken voor de volgende noden. Wat verklaart waarom uw volgegeten hond vindt dat u maar zelf gezellig dat koekje moet opvreten terwijl hij doodleuk gaat banjeren. Dit is het resultaat van “desserttraining” Waarbij het koekje slechts een surplus is die volgt na een reeds eerder verorberde copieuze maaltijd. Het koekje is dan de emmer water die men geeft aan een zwemmer…
• Negatief: -
Wat de hond aanziet als negatief en dus als een ontmoediging om een bepaalde handeling niet meer te herhalen is een gevolg dat hij niet leuk vindt en dus wil vermijden.
Niet alles wat een hond wil vermijden moet per definitie pijnlijk of angstaanjagend zijn.
Hiernavolgende voorbeelden maken dit duidelijk:
  • Een hond die uit het zonlicht naar de schaduw verhuist heeft geen pijn gehad. Hij heeft enkel een situatie die hij niet meer comfortabel vond aanvoelen, met aangepast gedrag verandert door in de lommer te gaan liggen.
  • Zo blijven honden inderdaad ook niet liggen bovenop mierennesten. Hoewel ze nog maar door een paar luttele mieren gebeten zijn, wat slechts licht onaangenaam doch niet pijnlijk is, begrijpen ze wel dat het er niet leuker op zal worden als ze daar koppig stand zouden blijven houden. Nadat ze een paar keer aldus een verkeerde zitplaats hebben uitgekozen zullen honden al snel bekend zijn met het fenomeen “mieren” en de territoriaal onverdraagzame karaktertrek van deze wezentjes. Het gevolg is dat ze gewoon niet meer proberen om daar te gaan liggen, zonder dat ze nog maar door één enkele mier werden belaagd! Ze mijden de plek eenvoudigweg.
  • Zo ken ik ook veel kleine, laagpotige honden, die bij het apport het pertinent vertikken hun balletje van tussen een bos brandnetels gaan halen.
Dit noemt men “vermijdingsgedrag”. Dat vermijdingsgedrag vertoont een hond dus zowel bij licht onaangename ervaringen als bij meer pijnlijke ervaringen. Waarom vallen wolven een eland niet frontaal aan? Omdat ze weten dat dit de meest pijnlijke benadering is, en dus vermijden zij, door pijn te vermijden, een levensgevaarlijk risico.
Het gaat dus om een overlevingsmechanisme dat bestaat uit een door de natuur ingegeven waarschuwingssignaal dat aanleiding geeft tot vermijdingsgedrag met betrekking tot iets dat risicovol is of kan zijn. Ook dit valt onder de terminologie “existentieel trainen”.
Maar het is wel heel belangrijk te willen begrijpen dat als men traint met negatieve bekrachtigers dit reeds kan met gebruik van zaken die de hond gewoon als onplezierig, dus slechts als licht onaangenaam ervaart. Voor ons volstaat een licht zeurende tandpijn ook om voor een nazicht naar de tandarts te gaan teneinde zo te vermijden dat het erger wordt.
Wat dat betreft hebben tegenstanders van e-collar training een zeer emotioneel beladen maar evenwel geen al te genuanceerd taalgebruik:
onaangenaam  (is niet gelijk aan)  afschuwwekkend storend  (is niet gelijk aan)  affreus
hinderlijk  (is niet gelijk aan)  akelig ongelegen  (is niet gelijk aan)  ellendig
lastig  (is niet gelijk aan)  afstotend onprettig  (is niet gelijk aan)  pijnlijk


Samengevat bestaat het arsenaal aan bekrachtigers van gedrag om de hond in de gewenste richting te sturen uit:
Versterkers van gedragsherhaling Ontmoedigen van gedrag
Wat ? Voorbeeld Terminologie Wat ? Voorbeeld Terminologie
Iets aangenaam toevoegen Een snopeje of balletje geven Positief bekrachtigen Iets aangenaam niet geven    Negative correctie
Iets licht onaangenaam uitschakelen Het verdwijnen van licht onaangenaam=aangenaam (1)&(2) Negatief bekrachtigen Iets onaangenaam wel geven Een onplezierig gevoel toedienen als corrigerende ontmoediging om met ongewenst gedrag te stoppen Aversieve training of Positieve correctie


(1) Een duidelijk voorbeeld van negatief bekrachtigen is bijvoorbeeld de hondeneigenaar die met zijn hond gaat wandelen. Eens aangekomen aan de losloopweide wil de hond er zo snel mogelijk heen. Maar hij is aangelijnd en dus bedwongen (= licht onaangenaam). De hond moet eerst gaan zitten van zijn baas en mag pas na de goede uitvoering van dat commando los. Als de hond doet wat hem gevraagd wordt is de beloning hier het verdwijnen van het aangelijnd zijn. (= uitschakelen negatief).
(2) Men kan hier de vraag stellen of het veelgehoorde advies van beloningsgerichte trainers om bij een hardnekkig ongehoorzame hond het dier dan maar een paar dagen geen eten te geven teneinde zijn motivatie om het lekkers te bemachtigen te vergroten dus inderdaad niet eerder neerkomt op het wegnemen van iets licht onaangenaam (het hongergevoel) eerder dan het toevoegen van aangenaam? Een hond die honger heeft zal inderdaad aanmerkelijk vlotter te trainen zijn met lekkers. Het probleem van deze techniek als “uitschakelen van licht onaangenaam” is evenwel de timing. Wanneer de hond goed presteert en hij een snoepje krijgt is zijn hongergevoel daarmee niet helemaal weg. Het is enkel iets kleiner geworden. Dus er is niet echt een ervaren van volkomen “aangenaam” gevoel door het volledig uitschakelen van “licht onaangenaam”. Langzaamaan, bijvoorbeeld gedurende een wandeling, zal zo’n hond ook minder en minder honger hebben. Bijgevolg zal zijn motivatie om het snoepje te krijgen in evenredigheid kleiner en kleiner worden. En dikwijls merk je dan tegen het einde van de wandeltocht dat hij helemaal niet meer zo goed luistert naar uw bevel om te komen. Anders gezegd: “Geef een blinde ogen en vervolgens begint hij om wimpers te zeuren!”

In het volgende hoofdstuk zullen we al het voorgaande omzetten naar de concrete toepassing van diverse trainingsmethodes in de praktijk.


<< Terug naar Hoofdstukken >>

© Auteurs van deze tekst zijn: Bart Bellon  www.dog-sport.be, Fabian Beernaarts   www.esmero.nl  en Kaat Raes.